Florijn – Ernst Timmer

F

De ik-figuur uit het boek is ambulant begeleider van Florijn: hij komt bij hem thuis, in eerste instantie, om hem zijn wekelijkse geld te brengen. Hij constateert bij Florijn een hemeltergende toestand – een buikwond die maar niet over gaat (als gevolg van medisch falen),  incontinentie, gebrek aan zorg, een veel te dikke hond die amper uitgelaten wordt: een regelrecht stinkende, vieze zooi. Huishoudelijke hulp komt er niet meer in, en de wijkverpleging is bang voor hem en doet alleen het allernoodzakelijkste aan de wond – meer laat Florijn niet toe. Het is zo’n man die iedereen de deur uit scheldt. Wat moet je daar als begeleider mee? Daarover – en hoe onze begeleider dat in weerwil van allerlei hulpinstanties en protocollen voor elkaar moet krijgen – gaat dit boek.

Nu was ik nog niet zo heel lang geleden zelf een paar jaar werkzaam in de zorg: assistent-begeleider op een werklocatie van De Noorderbrug, voor cliënten met een al dan niet aangeboren hersenhandicap. En dan heb ik in de vorige zin al een heleboel woorden gebruikt die op zijn minst dubieus te noemen zijn – of aan de andere kant een minpuntje op mijn dossier opgeleverd zouden hebben; wat te vinden van het woord ‘cliënt’, of van het woord ‘handicap’? Het woord ‘cliënt’ betekent niet anders dan klant – alsof mensen met bijvoorbeeld een psychische ziekte die ‘cliënt’ genoemd worden, er zelf voor gekozen hebben: ‘nee, vandaag even geen broccoli, doe mij maar een depressie’.

Het gebruik van dat woord ‘cliënt’ is trouwens een welkome opstap naar bezuinigingen: wie immers klant is kan ook wel wat meer betalen voor zijn keuze – een patiënt heeft het niet voor het kiezen, hem ‘overkomt’ zijn ziekte. Al is dat laatste niet altijd waar: er zijn veel lichamelijke ziektes waarvan het ontstaan voor een bepaald deel toe te wijzen valt aan de leefstijl van de patiënt: heeft een patiënt er dan voor ‘gekozen’? Moeten we om die reden iemand die altijd gerookt heeft en nu lijdt aan longkanker dan voortaan maar een longkankercliënt gaan noemen? Een manier van redeneren die menig manager die het verzuim in zijn organisatie omlaag moet brengen, heel goed uitkomt. Ik hoor het hem nog zeggen, die manager: ‘Ziek zijn is een keuze!’ – oftewel: ‘Voel je vooral schuldig en oncollegiaal als jij je ziek meldt!’. Dat helpt, in het genezingsproces.

Taal gaat wel ergens over. Is het woord ‘bejaarde’ besmet omdat het vaak pejoratief gebruikt werd (en moeten we daarom spreken over een ‘senior’ of een ‘oudere’)? Het zou kunnen – maar het zou ook zomaar kunnen dat we het hele verschijnsel zelf – de ouderdom met al zijn gebreken – niet meer willen onderkennen, dat we het daarom weg willen stoppen. In dat geval zal het woordje ‘oudere’ ook binnenkort wel niet meer mogen… Alsof we met het woord de ouderdom gelijk ook mee begraven hebben. Lang leve de nieuwe taboes. Lang leve het eufemisme.

Neem in dat verband het woord ‘gehandicapt’ – dat legt, volgens menig leerboek uit de zorg, de nadruk op wat iemand niet of niet meer kan. En vanuit een positieve benadering van onze cliënt moeten we liever spreken over een ‘mens met (andere) mogelijkheden’. Afgezien van de goede bedoelingen van deze manier van zien, moeten we die toch ook karakteriseren als taalvervaging. Het beestje bij de naam noemen is soms erg handig: dat ik niet de marathon ga winnen, komt niet doordat ik een ‘mens met mogelijkheden’ ben, maar een man met ongelooflijke platvoeten. Zo, dat maakt tenminste alles in één keer duidelijk – nu wéét u het tenminste!

Dit boek staat vol met dit soort licht ironische beschouwingen over de zorg. Het is duidelijk geschreven door iemand die zelf daarin werkt, en het stelt de juiste vragen, geeft op niet al te nadrukkelijke manier diagnoses van wat er tegenwoordig schort aan de zorg, aan de hand van dit soms ontroerende, soms hilarische verhaal over Florijn. Dat er bij al dit leed soms ook geglimlacht en gelachen kan worden, is een grote verdienste van de schrijver.

Wat is er met Florijn aan de hand? Ernst Timmer verwoordt het te mooi ergens in dit boek om het hier niet te citeren: ‘Ik word geacht te werken aan een hulpvraag. Mijn klanten, de mensen die ik bezoek, stellen mij echter zelden zelf een vraag. Ze hebben niets nodig uit mijn winkel. De hulpvraag wordt door hun omgeving zo’n beetje in elkaar geknutseld. Veel mensen die ik in hun huis kom lastigvallen hebben geen probleem. Ze zíjn een probleem.’ Mooie beschrijving van die ‘vraaggestuurde zorg’ die nog steeds in zwang is. Onze Florijn is wat we tegenwoordig noemen, een zorgmijder.

Het is mijn overtuiging dat degenen die de praktijken van psychologen en psychiaters bevolken, die zorg het minst nodig hebben – zij hebben immers al hulp gezocht, erkend dat ze een probleem hebben – en is die erkenning niet direct al de helft van de oplossing? Ik heb vaak genoeg gezien, ook in mijn naaste omgeving en familie, dat zij die gevaarlijk socio- of anderszins -pathisch zijn, los rondlopen: ze hebben er geen belang bij genezen te worden, want dat zou de zin van hun bestaan naar hun gevoel onderuit halen; zij halen die zin uit hun gekte. Vaak spreidden zij op strategische momenten een normaliteit ten toon die je zand in de ogen strooit; een vriendelijke façade waarachter de gevaarlijke gekte woekert. Ik heb aan den lijve ondervonden dat het helemaal niet zo makkelijk is om iemand die gezin en omgeving onhoudbaar terroriseert, te laten opnemen – ook de kranten staan vol met calamiteiten, gezinsdrama’s en dergelijke, waarbij niet op tijd is ingegrepen.

Timmer illustreert het probleem van de opgedrongen zorg met de gang van deze ambulante begeleider. Volgens protocol zou hij zich strikt aan zijn opdracht moeten houden; hij is echter naast zorgverlener ook nog mens, en gaat ver, veel verder dan de werkgever of welke instantie ook, goedkeuren. Het is herkenbaar om te lezen hoe hij zijn directeur ontwijkt, om maar niet ter verantwoording geroepen te worden over de kosten die hij maakt. In de praktijk blijkt een goed hulpverlener vooral iemand te zijn die strategisch handelt en daarbij onder de radar kan blijven. Het is niet voor niets dat de ik-figuur zichzelf herhaaldelijk vergelijkt met een wegkapitein in een peloton wielrenners – iemand die de kopman aan de zege moet helpen.  Dat Timmer kennelijk weleens een aanvaring heeft gehad met het Meldpunt Zorg en Overlast, kunnen we lezen in de ontmoeting met de snel sprekende Olga van datzelfde meldpunt: die slikt het midden van haar naam en functie in, zodat ze door de rest van het boek heen consequent Olga Overlast genoemd wordt; misschien flauw, maar wel zo effectief…

Als je zo werkt als de begeleider in dit boek, ben je dan nog wel professioneel? Trek je je dan niet teveel het lot aan van degenen die aan jouw zorgen zijn toevertrouwd? Het zijn vragen, nog geen antwoorden. Ik had zelf altijd grote moeite met de balans tussen empathie en professioneel blijven – of antipathie en professioneel blijven, ook: cliënten zijn niet per definitie mooie karakters. Ik heb veel gehad aan een collega, die dat bij mij scherp zag. In mijn begaanheid met het lot van de invalide medemens wilde ik wel eens toezeggingen doen aan cliënten die ik later onmogelijk kon nakomen. Daar help je niemand mee, natuurlijk, en dient alleen tot het sussen van je gevoel van tekortschieten. Waarna je je nog veel schuldiger voelt, als je je belofte niet nakomt. Op een gegeven moment ergerde hem dat zo, dat hij mij terzijde nam en de legendarische woorden sprak: ‘Reinder, als jij nou eens die goedertierenheid van je thuisliet…!’ Die hakte erin… ik heb die zin altijd onthouden, dat woord ‘goedertierenheid’ dat ik alleen in humanitair-christelijke zin kende, in combinatie met de onmiddellijke waarheid van zijn constatering.

Aan die collega, Rocco Schot, destijds mijn partner in crime te Appingedam, thans teruggekeerd naar zijn geboortegrond in Zeeland, draag ik dit blog op. Lezen, Rocco, dit boek: het is een feest der herkenning!

1 reactie

For security, use of Google's reCAPTCHA service is required which is subject to the Google Privacy Policy and Terms of Use.

I agree to these terms.

  • Bedankt heer de Jager, je bent een, qua afstand, verre vriend. Maar in mijn belevingswereld nog steeds erg dichtbij. Mooi stukje waar je meerdere spijkers met een knal op de kop slaat. Veel herkenning! (Ziek zijn is een keuze…nou vanavond ben ik in ieder geval niet de “bob” aangezien ik net een fles Rosė geboert heb zou ik morgen best ziekjes kunnen zijn). Zodra ik de kans krijg ga ik het boek lezen. Zeker nu mijn huidige werk eveneens ambulant begeleider is.