Winter in Glosterhuis, een novelle van Vonne van der Meer Verleid worden tot leven.

Terwijl de lente volop straalt alsof zij de zomer zelve is, voelt het haast bizar om na te denken over de manier waarop ikzelf zou willen doodgaan. Dat ik daar toch toe kom, terwijl om me heen een luid vogelgekwetter uit de bomen opstijgt, een enkele bladerdos van een nog lichter en priller groen dan de net weer aangegroeide bamboestruik voor mijn raam, heeft te maken met de novelle die ik las van Vonne van der Meer: Winter in Glosterhuis. Het heeft ook te maken met een vastgelopen kabinetsformatie; partijen die zich onder meer ingraven in hun ‘klaar met het leven’-standpunt. Mag een mens als hij zijn leven voltooid acht, zelf het heft in handen nemen?

Winter in Glosterhuis speelt in de zeer nabije toekomst – een soort wet als Pia Dijkstra nu voorstelt (‘Waardig levenseinde’) is aangenomen en praktijk geworden, hulp bij zelfdoding voor mensen boven de 75 jaar is niet strafbaar meer. In de novelle laat Vonne van der Meer bij extrapolatie zien waar die praktijk toe kan leiden.

Twee broers erven een aanzienlijke som gelds. De ene broer is, laat ik het maar zo zeggen, fervent D66-aanhanger; erg kort door de bocht gezegd: wie dood wil, mag dood. Hij richt – idealistisch gemotiveerd – een Vaarwelhotel op, waar men in stijl begeleid de laatste slok mag nemen. Om binnen de regels te kunnen opereren, heeft hij een meewerkende psychiater nodig – zijn broer. Maar die is uit ander hout gesneden. Die heeft doorgeleerd voor het laten leven van mensen. Omdat ze goede broers zijn, wil de laatste wel meewerken, maar hij stelt zijn voorwaarden. Als er enig aanknopingspunt is voor verder leven, wil hij iemand daartoe kunnen verleiden, desnoods voor het lapje houden en ‘ontvoeren’ naar het leven. Tegenover zijn broers hotel, aan de andere kant van het water, (hoe symbolisch), richt hij zijn Glosterhuis op, een hotel waar iemand op alle mogelijke manieren het leven ingetrokken wordt. Waarom dat huis zo heet, verraden bijna alle recensies – laat Vonne u dat vooral zelf vertellen. Ik ontneem u niet graag leesplezier… Commercieel is dat Vaarwelhotel een succes; mensen laten dankbaar legaten na. Daar steekt dat Glosterhuis wat schriel tegen af: slechts twee mensen worden behouden – en die kosten alleen maar geld.

Het spreekt voor zich dat dit verhaal op zijn zachtst gezegd nogal onwaarschijnlijk is – hoe komen twee broers met zulke tegengestelde standpunten tot samenwerking? Het is duidelijk een construct, een zwart-wit tekening, maar toch wel subtiel. Zoals bij elke dystopie steken de botten van het onderliggende schema hier en daar door het verhaal heen. Maar binnen de wetten van het genre en de novelle mag dat. Wie zich echt wil verdiepen in wat oude mensen beweegt die aan het einde staan, leze Voltooid leven van Els van Wijngaarden – geen literatuur, maar zeer lezenswaardig.

Ik heb sinds haar bundel Eilandgasten een onberedeneerd maar groot zwak voor Vonne van der Meer. Zij is in al haar verhalen de onderstroom die voor het leven kiest. Hoe sta ikzelf hierin? Menig plek op aarde is zwarter dan kool; ‘Het graf gaapt de tijd zoemt en nergens is redding’ schreef Reve al, en in depressieve episodes kan ik dat slechts beamen. Wij zijn niet allen zo gezegend als koning David, voor wie men een heel mooi meisje zocht om hem te warmen, toen hij ondanks dekens niet meer warm kon worden. Er zijn geen simpele antwoorden. Toch laat ik me, in weerwil, graag verleiden tot leven. Geuren, geluiden, het licht door het bladerdak – dit kleine verhaal over het Glosterhuis stemt mij buitengewoon mild.

Deze bespreking is afgelopen voorjaar ook verschenen in Kerk in Stad, het medium van de Protestantse Kerken in Groningen.