Het spookhuis op de heuvel – Shirley Jackson

H

In spookverhalen is er sprake van geesten van overledenen die rondwaren – overledenen die nog een rekening te vereffenen hebben met de levenden. Dat vergt wel erg veel overtuigingskracht van de kant van de schrijver, en goedgelovigheid van de lezer. Horror en suspense zijn verdachte genres – net zoals detectives en thrillers dat van oudsher zijn. En maar al te vaak is er in het genre natuurlijk sprake van clichés en edelkitsch, van goedkoop effectbejag of grofheid en vooral veel bloed. Kijken naar een horror- of griezelfilm op één van de commerciële zenders leidt meestal tot ontgoocheling – vaak is de tandpastareclame tussendoor nog het minst slaapverwekkende, de commercial voor Heinz tomatenketchup het meest bloeddorstige. Toch doen we hiermee het genre op zich tekort.

Tot de cinematografische canon horen bijvoorbeeld zonder enige twijfel de films van Hitchcock. Ik herinner me een avond dat ik alleen thuis was – ik zal een jaar of veertien geweest zijn. Die avond was ‘The Birds’ op TV, waar ik geheel onvoorbereid en zonder enig idee van wat voor soort film dat was, naar gekeken heb. Nadien moest ik naar boven om naar bed te gaan; ik sliep op zolder. Dat betekende eerst de kamer uit; licht op de gang aan, licht in de kamer uit, deur snel dicht – dat ging nog; toen de trap op – licht naar de overloop aan, licht in de gang uit, zo’n donker gat achter me – dat was al minder; het ergste moest nog komen: het licht op de trap naar de zolder alvast aan, doorlopen over de overloop langs de ouderlijke slaapkamer om het licht op de midden-verdieping uit te doen, in het donker naar de deur van de zoldertrap, de deur met bonkend hart snel achter mij sluiten, het benedenste donker van de trap opvliegend om maar bij het licht boven te komen; dan het licht op mijn slaapkamer aan, de zolder over om het licht uit te doen, de hele donkere zolder, langs het duistere trapgat, terug naar mijn kamer… intussen werd ik van alle kanten belaagd door krijsende vogels en gefladder van vleugels, mijn ogen uitgepikt. Ik ben niet vaak echt bang geweest in het donker – maar het is de enige keer dat ik mijn ouders de volgende dag eerlijk heb opgebiecht dat ik nog tot zo laat op was geweest: ik had amper geslapen, zag krijtwit alsof ik … spoken had gezien.

En spoken had ik gezien. Met mijn verstand wist ik natuurlijk best wel, dat spoken bedrog waren, en dat zulke aanvallen door vogels niet bestonden (hoewel ik later, op Schiermonnikoog, er niet geheel gerust op was toen ik zo’n kolonie krijsende meeuwen zag). Toch wist ik zeker dat mijn angst geen bedrog was – in feite wordt je aangevallen door je eigen ‘geest’, en kijk je in je eigen afgronden. Zoals hoogte geen reden is om te pletter te vallen, maar hoogtevrees je ontegenzeggelijk doet wankelen aan de rand van een ravijn. Als een film, als een boek dat bij je teweeg kan brengen, dan kun je op zijn minst niet meer zeggen dat het genre je koud laat. Of je ervan houdt, is een tweede – toegegeven.

Intussen zijn er ook diverse schrijvers – en niet de minsten – die op dat vlak hun sporen verdiend hebben: ik noem slechts Edgar Allan Poe, of (iets recenter) Stephen King. In mijn laatste leeservaring besprak ik Het victoriaanse huis van John Boyne – en nu lijkt het mij aardig om in het kader van de Weken van het Spannende Boek nu eens geen detective of thriller bij de kop te nemen, maar nòg een spookhuis – en dit keer beschreven door Shirley Jackson. Zij is hier in Nederland vermoedelijk niet zo bekend. Zij schreef in de jaren veertig tot zestig vele intrigerende verhalen – één van de bekendste is The Lottery (lees hier het verhaal online) over een jaarlijkse loterij in een dorpsgemeenschap – hoe gemoedelijk wil je het hebben -, en de gruwel die erachter schuil gaat, en die als een klap in je gezicht aankomt. Het spookhuis op de heuvel is een wat langer verhaal, een novelle kun je het wel noemen. Hoofdpersoon is Eleanor, een jonge vrouw, die altijd voor haar moeder gezorgd heeft tot die overleed. Ze heeft verder niks in het leven, heeft ook nog nooit een eigen leven geleid, is bijna een niemand.

Huis van EscherZij reageert, samen met een andere vrouw, op een oproep van een universitair docent, die een onderzoek instelt naar bovennatuurlijke fenomenen en parapsychologische verschijnselen in een als spookhuis bekend staand landhuis in de heuvels.. Lekker boeiend, denk je dan, maar het groepje, de twee vrouwen, de erfgenaam van het huis en de onderzoeker – dat groepje van vier maakt bijzondere dingen mee in het huis. Tenminste, dat denk je, en het wordt ook heel spooky en geloofwaardig beschreven – tot je ontdekt dat alles wat beschreven wordt, vanuit het perspectief van Eleanor gezien is. Waar ‘huist’ de gekte, in Eleanor of in haar omgeving? Spoort het huis niet of spoort zij niet? Het huis wordt beschreven als een bouwsel dat in feite niet gebouwd kan worden, als in een tekening van Esscher – met perspectivische onmogelijkheden. Een raam naast de voordeur, kijkt uit op de voordeur – dat soort zaken. Ook gebeuren er dingen, die in de echte werkelijkheid niet kùnnen: eigenlijk zoals in een droom, waarin je kunt blijven vallen en vallen en vallen…

Allengs weet je: hier gaat iets goed mis – en die dreiging, dat noodlot bijna, als een verstikkende angst, wordt ongelooflijk goed beschreven. Eleanor maakt ook ongekende geluksmomenten mee in het huis: ‘Ja, hier ben ik eindelijk iemand, hier mag ik wezen wat ik altijd al had willen zijn’, en heeft onrealistische visioenen over haar toekomst – met die andere vrouw in het huis bijvoorbeeld. Tussen de regels door merk je aan verspreide opmerkingen, dat ze haar niet helemaal serieus nemen en de draak met haar steken, maar dat vat ze niet zo op.

Opeens, en toen gingen bij mij echt de haren overeind staan, krijg je als lezer door dat we het ontstaan van een psychose van binnenuit beschreven zien – en niet op een gewild psychologiserende wijze, maar eigenlijk steeds in de details, in de kleine ontsporingen van de werkelijkheid. Zoals een schrijver als Bernleff in Hersenschimmen vanuit een dementerende hoofdpersoon de werkelijkheid beschreven heeft – biedt deze novelle in de vorm van een traditioneel spookverhaal een blik vanuit de ogen van iemand die geestelijk ontspoort.

Het bijzondere daaraan is, dat het verhaal bijna gewoontjes, luchtigjes geschreven is, alsof het de normaalste zaak van het leven is. Ook humor ontbreekt bepaald niet: zoals beschreven wordt hoe de onderzoeker een onverklaarbaar koude plek in het huis met meetlat en thermometer te lijf gaat – ik moest grinniken. Of zoals spiritisten belachelijk gemaakt worden – mensen die geesten van overledenen oproepen – in de persoon van de vrouw van de onderzoeker (die met haar al even kolderieke zoon een weekend langskomt), met hun praktijk van de planchette of Ouija-plankje… ‘Wat is dat?’, vraag je je wellicht af: wel, er zijn mensen die geloven dat een plankje met wieltjes en met een potlood erin, tijdens een spiritistische seance door de hand van een medium boodschappen neerschrijven voor ons stervelingen. Het is heel duidelijk dat de schrijfster daar de vloer mee aanveegt…

Het laatste wat ik nog te zeggen heb, is dat het verhaal soms ook in ontroering zichzelf overstijgt. ‘Kinderen en gekken zeggen de waarheid’, is het gezegde – en ik citeer één wat langere passage uit het boek die mijn hart gestolen heeft:

[Onderweg naar het huis eet Eleanor onderweg een hapje in een herberg; daar zit ook een gezin te eten met een klein meisje, dat de melk weigert te drinken uit een gewone beker.]
Eleanor keek verbaasd op, het meisje schoof naar achteren op haar stoel en weigerde stuurs haar melk op te drinken, terwijl haar vader zijn voor­hoofd fronste, haar broertje giechelde en haar moeder bedaard opmerk­te: ‘Ze wil haar sterrenbeker.’

Wis en waarachtig, dacht Eleanor; dat wil ik ook best; een beker met sterren, wie zou dat niet willen.
‘Haar bekertje,’ legde de moeder uit terwijl ze verontschuldigend glim­lachte naar de serveerster, die onthutst was bij de gedachte dat de gezon­de boerenmelk van de molen niet goed genoeg was voor het meisje. ‘Er zitten sterretjes op de bodem, en daar drinkt ze thuis altijd haar melk uit. Ze noemt het haar sterrenbeker omdat ze tijdens het drinken de sterren kan zien.’ De serveerster knikte niet geheel overtuigd, en de moeder zei te­gen het meisje: ‘Als we vanavond thuis zijn, krijg je je melk weer in je ster­renbeker. Maar wil je nu, om te laten zien wat voor een brave meid je bent, niet een paar slokjes drinken uit dit glas?’
Niet doen, zei Eleanor in gedachten tegen het meisje; sta op je sterren­beker; zodra ze je hebben overgehaald je net zo te gedragen als iedereen, zie je je sterrenbeker nooit meer terug; doe het niet; en het meisje keek haar kant op, en toonde, met kuiltjes in haar wangen, een subtiele, be­grijpende glimlach, en schudde koppig haar hoofd naar het glas. Beste meid, dacht Eleanor; verstandige, dappere meid.

Eleanor zelf heeft in haar leven vastgehouden aan haar sterrenbeker – en ervoor moeten boeten. In hoeverre accepteren we mensen die op hun sterrenbeker staan? En hoeveel mensen zijn er niet, die hun dromen verkwanselen door ‘aangepast’ te zijn?

Uw reactie

For security, use of Google's reCAPTCHA service is required which is subject to the Google Privacy Policy and Terms of Use.

I agree to these terms.