Reddende engel Renate Dorrestein

Reddende engel

De onlangs uitgekomen roman van Renate Dorrestein, Reddende engel, begint omineus. De ik-persoon, Sabine, komt midden in het heuvellandschap van Limburg tot de ontdekking dat ze vergeten heeft te tanken. Ze is ook haar telefoonoplader vergeten mee te nemen, haar telefoon is bijna leeg, het schemert en er dreigt een zwaar onweer. Bovenop een heuvel komt ze bij een vijfsprong – midden op staat een kruisbeeld met de inscriptie ‘Red ons, Heer’. Ze heeft geen idee waar ze is, en om brandstof te sparen kiest ze de steilste weg naar beneden – en uiteraard, zou ik bijna zeggen, was het de verkeerde afslag. Ze komt beneden vast te zitten op het terrein van een oud landhuis, Oldehage. Vanaf daar ontspint zich een gothic novel van hoog niveau – het landhuis en de familie die het bewoont bewaren een geheim.
Is dat niet een beetje veel van het goede, dit begin? Een blueszanger komt er nog mee weg, kiezen voor de verkeerde afslag, en daarover zingen, het zij hem vergeven. Ook Dorrestein kunnen we het vergeven. Zelfspot en ironie van de ik-figuur geven het ietwat larmoyante begin een luchtigheid die het draaglijk maakt. Maar ook moest ik bij dit prachtig-dreigende openingshoofdstuk denken aan Dante: ‘Op het midden van onze levensweg bevond ik me in een donker woud, omdat ik van de rechte weg was afgedwaald.’ Ook Sabine is de weg kwijt – haar man heeft haar in de steek gelaten voor een jonger exemplaar, vol jaloezie is ze op reis gegaan. Ze voelt zich knap waardeloos en leeg. Een begrijpelijke leegheid, die erom vraagt zich te vullen met de geheimenissen van het landhuis. Want niets is daar wat het lijkt, en alles blijkt ook steeds weer anders.
Er zitten zeker elementen in van een thriller, en het is aan mij, u daarvan niet te veel prijs te geven. Er heeft zich enkele jaren daarvoor een noodlottig ongeval op de boerderij voorgedaan. Wie draagt schuld daaraan? Is het Madeleine, die als een ware bijbelse Martha zich uitslooft om het huis draaiende te houden? Uit schuldgevoel? Livia, de jongere zus, ten tijde van het ongeval minderjarig? Vader Erris? De grootmoeder? Iedereen kan het zijn, iedereen kan het ook niet zijn. Sabine slaapt in de kamer van de vrouw die destijds omkwam. Is dat niet griezelig?
Ik ga u niet vertellen wie het gedaan heeft. Of u dat aan het eind wel weet? Renate zou geen Dorrestein heten als er een goedkoop slot zou zijn. Toch noem ik het geen open einde. Is er wel sprake van individuele schuld? Heeft schuld ook een functie? Kan een reddende engel ook een zondebok zijn? De schijnbare eenvoud van het verhaal, tot slot, kan niet verhullen hoe mooi het is opgebouwd en hoe schitterend verteld.
Renate Dorrestein hoort al veel langer tot mijn favoriete schrijvers. Ze is ernstig ziek, heeft nog maar kort te leven. Op 15 december j.l. zag ik een ontroerend interview met haar, vooral over haar werk, in het programma Boeken van de VPRO. Ik moest denken aan die andere zestigjarige, Eberhard van der Laan – mensen die ons iets te zeggen hebben.

Deze leeservaring is eerder gepubliceerd in Kerk in Stad, jaargang 19 nr. 1