t Roege laand – Eerde was onlaand

t

In 2008 verscheen er een vertaling van de bijbel in het Gronings; nu ben ik geen Groninger, althans niet van geboorte, maar het begin van het tweede vers van Genesis in het Gronings leek me een aardige weergave van de toestand die Auke Hulst in zijn boek beschrijft:

‘Eerde was onlaand en t duustern lag over oervloud…’

Eerde was onlaand: vergelijk die woorden eens met de gebruikelijke Nederlandse vertaling ‘De aarde nu was woest en ledig’. Waarom kunnen Groningers dat zoveel bondiger zeggen, met dat prachtige woord ‘onlaand’. Ik denk (en ik kijk nu naar buiten over de dras van het veld heen, de regen gutst over de ruiten), omdat Groninger platteland nog echt van dat ruige land heeft – waar de menselijke beschaving zo op het eerste oog nog niet of te lang geleden heeft huisgehouden, te schraal om te bebouwen, woeste grond.

Op zo’n stuk land, ergens in Oost-Groningen, niet al te ver van de plek waar ik nu woon, in het Groningse gehucht Denemarken (ontstaan uit ‘Deen’= ruig en ‘marken’=land), is Auke Hulst opgegroeid. Op die plek situeert hij het huis waar Kai woont, met moeder, zijn broer en twee zussen. Het boek is autobiografisch, en de Kai in het boek komt sterk overeen met de schrijver. Het is ook precies waar het boek wel eens wringt – de schrijver weet meer dan de hoofdfiguur kan weten, over hoe het later hem zal vergaan bijvoorbeeld. De alwetende verteller kan het soms niet laten – en dat levert zo nu en dan onwerkelijke, maar soms ook juist de mooiste delen van de roman op. Ik ben er nog niet over uit of dit de roman versterkt of verzwakt. Het is een gestileerde autobiografie, zijn eigen leven scherp gezien door de ogen van de volwassen Auke. Dat brengt goede analyses, en wat mij opviel: een barmhartige houding tegenover zijn moeder, die hem heel wat heeft aangedaan. Het boek is zeker geen afrekening – moeder en zoon moeten een manier gevonden hebben om met elkaar te blijven omgaan.

Opgroeien in de wildernis – en dan niet alleen letterlijk, maar ook opgroeien in een pedagogische woestenij, en wat dat met een mens doet: daarover gaat dit boek. Na de dood van zijn vader, rond zijn achtste verjaardag, is het verband uit het gezin weg; de schrijver noemt het in een ontroerend hoofdstuk een ‘breuk in de tijd’. Moeder komt er alleen voor te staan, met vier jonge kinderen, maar blijkt niet opgewassen tegen de verantwoordelijkheden die dat met zich meebrengt. Dat is nog zwak uitgedrukt: een modern psycholoog zou op zijn minst een ontwikkelingsstoornis bij haar constateren: ze is zelf nog een kind, en loopt letterlijk weg voor de problemen, stopt haar hoofd in het zand als het leven aanklopt. Auke Hulst beschrijft hoe ze als meisje uit de hogere middenklasse te beschermd is opgevoed, en hoe haar ouders later haar keer op keer uit het financiële moeras trokken – uit schaamte, uit schuldgevoel. En hoe dat pedagogisch falen doorzet in het volgende geslacht – bij zijn moeder, die volkomen onverantwoordelijk met geld omgaat. Ze is een intelligente vrouw, mooi en charmant ook, en kan veel van haar moeilijkheden aanvankelijk nog met haar charme weglachen, wegdrinken in een roes met allerlei verkeerde mannen. Ze verbrast een niet onaanzienlijk inkomen, jaagt alles tot de laatste cent erdoorheen, geeft geld uit zodra ze het heeft en als ze het niet heeft, besteelt en bedriegt ze de boel. Impulsief en wispelturig – en uit schuldgevoel – koopt ze nu eens veel te duur schoeisel voor Kai, dat als een vlag op een modderschuit staat bij de tot op de draad versleten, ongewassen kleren die hij draagt. Dan weer vergeet ze voedsel te kopen, en als de kinderen dan klagen dat ze honger hebben, laat ze patat aanrukken. En erger nog: in de beleving van Kai is ze een hele zomer de hort op, slaapt ze bij diverse mannen uit het dorp, en laat de kinderen in een leeg en vervuild huis aan hun lot over.

Auke beschrijft mooi hoe zijn broer en hij met de matrassen door het huis slepen, nu eens de ene, dan de andere kamer in bezit nemend. Hoe die anarchie ook zijn voordeel heeft: ze geeft hen alle vrijheid, een vrijheid die hij later als schrijver kan gebruiken – ook over dat ontluikend schrijverschap gaat het in dit boek. Maar schrijnend is hoe dit bestaan het gezin sociaal isoleert; iedereen in de omgeving kijkt op ze neer, hulp hoeven ze niet te verwachten. Van die gereformeerden heeft Auke al helemaal geen hoge dunk: ‘Die mensen wilden niet naar de hel, maar ze hadden niettemin hun huizen tot het voorgeborchte omgetoverd’. Het isolement is het verhaal van schaamte, die zich uit in arrogantie, neerzien op de ‘gemiddelde’, gewone man – precies wat hun moeder feitelijk ook doet. Die knik in de sociale ontwikkeling is bij de schrijver omgebogen naar een creatief proces, maar je proeft tussen de regels door dat broer en zussen er een behoorlijke tik van aan gekregen hebben. Ergens schrijft Auke, dat je vroegere tekorten later niet meer kan inhalen; dat is precies ook mijn ervaring. De leegte die toen geslagen is, blijft in je, en de wildernis waarin ze opgroeiden, zit te langen leste in hen. Kai kan het alleen overleven doordat hij vlucht in lezen en schrijven van sciencefiction. Sciencefiction schrijft Auke Hulst ook: Slaap zacht Johnny Idaho.

De financiële moeilijkheden met deurwaarders aan de deur, met exploten van de belastingdienst, knijpen de kelen van de kinderen dicht. Moeder, indien al aanwezig, doet er luchtigjes over: ‘is allang geregeld’,  en als de kinderen (pubers inmiddels) een huisvergadering beleggen (het huis dreigt geveild te gaan worden), dan zegt ze doodleuk: ‘Dan kiezen jullie toch een andere moeder…’. Precies op het moment dat de kinderen haar het meest nodig hebben, vergeet ze dat ze nu eenmaal hun moeder ìs. Toch krijg je op geen moment de indruk dat de moeder niet van de kinderen houdt – en dat vind ik een hele prestatie.  Dit deel van het boek greep mij aan. Zonder in details te treden zie ik in mijn familie en bij mijzelf lijnen lopen van te beschermd opgevoed naar onverantwoord met geld omgaan, van lak hebben aan de regels omdat ze je niet uitkomen tot de kop in het zand steken, van jezelf beter achten tot aan pathologisch liegen aan toe. Dit boek was een onthullende en onthutsende spiegel, waarin ik niet altijd even graag mijzelf terugzag. Tot in het hoeveelste geslacht slaat God ons met zijn toorn? Wanneer komt er een einde aan die cyclus van schaamte?

Dat antwoord staat niet met zoveel woorden in het boek: als Kai zijn moeder ophaalt die gestrand is met een kapotte auto en zonder een rooie cent in Frankrijk, kantelen de verhoudingen. Je kunt zeggen dat hij zijn verantwoordelijkheid neemt. Het Ruige Land is na hun vertrek verkaveld, netjes gemaakt; ook daar schiep de schepper chaos tot mensenland – het is geen ‘onlaand’ meer. Maar de wildernis is verinnerlijkt, is iets om boven uit te groeien. Met dit boek heeft Auke Hulst het verschil gemaakt.

De schrijver heeft een eigen website: www.aukehulst.nl. Ik vermoed dat Auke hier in Hoogezand-Sappemeer naar school is gegaan – in zijn nawoord haalt hij nog een artikel aan over het instituut Hommes, een internaat dat in Hoogezand heeft gestaan, waar een strenge discipline heerste en waar onhandelbare jongens uit de betere kringen heen gestuurd werden als de ouders zat waren van het opvoeden; onder andere Theo Hiddema, de bekende advocaat, heeft daarop gezeten. Welke rol dit internaat in het boek precies speelt is mij niet geheel duidelijk, maar voor mensen die in mijn omgeving wonen, een aardige aanvulling op een relatief onbekend stukje Hoogezand-Sappemeer.

Later vond ik nog dit interview met hem, in het programma De Wandeling.

Uw reactie

For security, use of Google's reCAPTCHA service is required which is subject to the Google Privacy Policy and Terms of Use.

I agree to these terms.