In ongenade, van J.M. Coetzee

I

Ik heb een moderne klassieker gelezen, zo’n boek waarvan iedereen zegt: ‘Ken je die nog niet?’ In ongenade (Engelse titel: Disgrace), van de Zuid-Afrikaanse schrijver Coetzee – het boek is inmiddels ook al verfilmd. Het verhaal is van een bedrieglijke eenvoud, maar ‘there is more to it than meets the eye’. Geschreven in de decade na de afschaffing van de apartheid in Zuid-Afrika, heeft het veel stof doen opwaaien – over de positie van blank en zwart, over de positie van de vrouw. Wat moet ik nu nog over zo’n veelbesproken boek gaan zeggen? Behalve dan natuurlijk wat ik ervan vond. Daarbij concentreer ik me vooral op wat ik nu maar noem de geloofwaardigheid van het verhaal.

Want ook bij mij wekte het boek ambigue gevoelens op; het zal nog bepaald een opgave worden om die te verwoorden: ik kan er namelijk de vinger nu nog niet helemaal opleggen. Maar al schrijvende ga ik die gevoelens proberen expliciet te maken – gaandeweg moet het ongemak toch ergens voelbaar worden.

De hoofdpersoon, David Lurie, is in alle opzichten een rudimentair relict uit het verleden, een van binnen totaal vermolmde boom die nog net overeind staat – zo’n reus die bij de eerste de beste storm omwaait. Hij is een arrogante, enigszins cynische hoogleraar in Kaapstad, representant van een evenzeer vermolmd onderwijssysteem, die per semester nog net één blokje van zijn eigen vakgebied mag lesgeven (‘want dat is goed voor het moreel’), maar verder les moet geven in communicatieleer – waarvan hij de premisse eigenlijk direct al verwerpt: ‘De menselijke samenleving heeft taal geschapen, opdat wij onze gedachten, gevoelens en bedoelingen aan elkaar kunnen overbrengen’. Volgens onze professor is taal ontstaan uit het lied, en het lied ‘uit onze behoefte om onze al te grote en tamelijk lege ziel met geluid te vullen’. De lege ziel – dat is gelijk ook de karakterisering die we Lurie kunnen meegeven. Zijn innerlijke verwantschap, het hele boek door, met de bekendste Engelse dichter uit de Romantiek, Byron, is symptomatisch: het is een belangstelling naast de realiteit, voor een dichter waarop in moreel opzicht behoorlijk wat aan te merken was – zoals een nogal liederlijk, decadent leven, een incestueuze relatie met zijn halfzuster…

Ook Lurie neemt het met de moraal niet al te nauw; als gescheiden man, zo staat beschreven, ‘had hij het probleem van de seks, naar zijn idee, goed opgelost’: hij gaat één keer per week naar zijn vaste prostituee, en beeldt zich in, dat hij deze vrouw genegenheid toedraagt, en zij hem. Maar Lurie begint ouder te worden, verliest zijn lichamelijke aantrekkelijkheid, en als zijn vaste gewoonte doorbroken wordt (de vrouw wil niet meer), dan moet hij er iets anders op vinden. En hij legt het aan met één van zijn jonge studentes. Dat loopt natuurlijk niet goed af – in alles blijkt dat het meisje zijn seksuele avances passief over zich laat komen; de laatste keer dat Lurie seks met haar heeft, beschrijft Coetzee dat als een zeer ongewenste daad, ongeveer als een verkrachting van een willoze ledenpop. Het labiele meisje, een rancuneus en kwaadaardig vriendje, een boze vader die er lucht van gekregen heeft: dat alles mondt uit in een aanklacht van machtsmisbruik en ongewenste intimiteit. In plaats van stil te zitten als je geschoren wordt, handelt Lurie als iemand die de tekenen des tijds absoluut niet verstaat. Hij paait de onderzoekscommissie niet (met daarin een paar vrouwen die zijn bloed wel kunnen drinken), maar bekent ‘schuld’ aan fatale verliefdheid en gooit de handdoek in de ring; een echt berouw komt niet bij hem op. Daar is iets aan de hand met zijn gevoel van eigenwaarde: je moet bepaald een narcist zijn om zo te reageren. Met opgestoken vaan legt hij zijn post neer, en verlaat Kaapstad – hij is ‘in ongenade’ geraakt. Dat is in dit boek waarschijnlijk een iets bredere term dan zomaar ‘uit de gratie’, niet meer in aanzien zijn; in ongenade gevallen zijn staat hier naar mijn idee ook voor je morele kompas kwijt zijn.

Hij vertrekt voor enige tijd naar zijn dochter die op een boerderij woont, op het platteland. Uit zijn bastion verdreven, de epauletten van zijn waardigheid hem bij wijze van spreken van de schouders gerukt: in bittere zelfbespiegeling beschouwt hij zijn eigen afglijden, zijn verouderingsproces – wat dat betreft is de roman ook een canto van het afzien, van de neergang van een oudere man. Ik werd er wat triestig van. Zijn dochter Lucy leefde samen in een agrarische commune, die uiteengevallen is – later met een vrouw, maar ook die relatie is verleden. Nu woont ze alleen – heeft iemand die haar helpt, een zwarte Afrikaan. Van zijn dochter mag hij deze Petrus geen ‘boy’ meer noemen – verhoudingen van vóór de Apartheid immers. David snapt er maar weinig van – ook daarin blijft hij een ‘oude’ blanke. Zijn dochter laat zich meevoeren de nieuwe tijd in, staat een stuk van haar land af aan Petrus. En dan is er die catastrofale gebeurtenis, en de reactie daarop, van vader en dochter – die totaal verschillend is: vader en dochter groeien uit elkaar.

Dochter en vader worden door drie mannen, kleurlingen overvallen op de boerderij. Niet alleen worden alle kostbaarheden gestolen, maar terwijl vader machteloos op de WC opgesloten zit, wordt Lucy meermalen verkracht. Die seksuele misdaden – van David tegen zijn studente, en van die anonieme kleurlingen tegenover Lucy – vormen de as waarom het boek draait. Ook deze laatste wandaad is katalysator van heftige reacties – Lucy die aangifte doet van roof, maar niet van verkrachting, David die hier absoluut niets van begrijpt en op haar probeert in te praten. Een vreemde zaak trouwens wel – David die geen enkel besef ten toon gespreid heeft over zijn eigen moreel falen en die nu vindt dat de daders hiervoor gestraft moeten worden… En Lucy die daar niets van wil weten; wat nog een beetje onbegrijpelijker wordt als blijkt dat ze in verwachting is ten gevolge van de verkrachting, terwijl één van de daders opgenomen wordt in de clan van Petrus, die bij haar boerderij woont. Want begrijpen wij, begrijp ik dit wel, als lezer. Lucy opteert niet voor abortus – wat in dit geval heel begrijpelijk zou zijn – maar accepteert bijna lijdzaam haar lot.

Waarom Lucy zo reageert? Haar redenering is, dat ze wil blijven wonen waar ze woont, en het daarom moet nemen zoals het valt – ze stelt zich in feite onder bescherming van Petrus en daarmee van de zwarte bevolking. Ergens zegt ze dat dit een soort boetedoen is voor de collectieve schuld die blanken op zich geladen hebben in de jaren van Apartheid. Dit lijkt mij toch een rationalisering van haar trauma. Ik geloof ook niet in zoiets als collectieve schuld: het is niet zo dat de Joden collectief schuld hadden aan de dood van Jezus, net zo min als het Duitse volk collectief schuld had aan de Holocaust. Dat soort redeneringen zijn nu toch wel genoegzaam ontmaskerd. Ik denk eerder dat Lucy probeert zich in te passen, als vrouw, als blanke, in veranderde omstandigheden, en zich afzet tegen ‘old school’ David, haar vader. Die vader moet, heel langzaam, tegen heug en meug in, accepteren dat het gaat zoals het gaat. Pas aan het eind van het boek heeft hij enigszins zijn draai weer gevonden, is hij weer, op zijn manier, op een veel lagere tree, geheeld – in staat van genade.

Afgezien van de psychologie van het slachtoffer Lucy zoals beschreven (waar ik toch wat moeite mee heb), is dit een prachtig boek. Het roept een beeld op van neergang en verval, van narcisme en eigendunk van een heersende klasse. Het doet inzien dat de slachtoffers van gisteren, de slachtoffers van de Apartheid, de daders van vandaag kunnen worden – tegen vrouwen. Net zo min als van collectieve schuld, komt er veel goeds van collectieve heiligverklaring; schuldig en heilig zijn gebrekkige omschrijvingen van aspecten, of liever: daden van het individu, niet van het collectief. In het verlengde daarvan: het zijn de misdaden die we moeten veroordelen, niet de persoon, en zeker niet het collectief waartoe die persoon behoort. Dat is misschien wel de enige manier om die schijnbaar eindeloze keten van schuld en wraak en nieuwe schuld, waarvan in de geschiedenis zo vaak sprake is, te doorbreken.

Uw reactie