Hans Fallada, ‘Jeder stirbt für sich allein’

H

Bewust gebruik ik in deze leeservaring de Duitse titel van dit boek – niet om maar een beetje pedant te wezen, maar omdat de Nederlandse vertaling: ‘Alleen in Berlijn’ de kern niet raakt: dat kan bijna net zo goed de titel van een reisgids zijn. Het gaat om de eenzaamheid van de hoofpersonen in het uur van hun dood, eenzaamheid veroorzaakt door de barbarij der nazi’s – en dat we en passant een scherp beeld krijgen van het leven van de gewone man in Berlijn tijdens de tweede wereldoorlog, is mooi meegenomen. Die Nederlandse titel komt uit de Engels/Amerikaanse vertaling van Fallada’s werk; dit boek is in de Angelsaksische wereld herontdekt en daar ongemeen populair geworden. Is dat terecht, die hype? Is deze roman grote literatuur? En, laatste vraag: doet die vorige vraag er eigenlijk wel toe?

Een Nederlandse dichter (de bron vermeldt helaas niet wie) heeft over ‘Kleiner mann, was nun?’ van Fallada eens gezegd: dat is nu het boek dat iedereen zou kunnen schrijven, – als hij schrijven kon. Dat geldt wel voor elk ander boek dat ik van Fallada gelezen heb, zoals ‘De Drinker‘ – hij schrijft rechttoe-rechtaan een vertelling, zonder uitweidingen of literaire omwegen, en daar moet de lezer het mee doen. Veel dialogen in de ‘directe rede’, geen vergezichten, geen uitstapjes door de schrijver – als er een enkele keer een alwetende schrijver om de hoek komt kijken, valt dat echt op. Wat dat betreft loopt er een tamelijk rechte lijn van de naturalistische romans van het einde van de negentiende eeuw, en meer in het bijzonder de sociale roman (Meister Timpe van Max Kretzer is een goed voorbeeld daarvan) – en van daaruit weer naar zo’n recente film als ‘Das Leben der Anderen’ van regisseur Florian Henckel von Donnersmarck. Wat over de hele linie geldt: er is in hoge mate sprake van moralisme – moedig en goed, grijs en laf, slecht en verdorven worden naast elkaar gezet – en de lezer mag zijn conclusies trekken. Het gaat om gewone mensen in tijden van crisis of onder een totalitair regime, en hoe deze gewone mensen zich daartoe verhouden – en ook hoe gewone mensen door hun houding worden vermalen in de raderen van de geschiedenis. Het is niet verwonderlijk dat Fallada juist nu herontdekt wordt, in een tijd van crisis op allerlei fronten, en van opkomend illusieloos populisme.

Het is dit moralisme en het systematisch en schematisch tegenover elkaar stellen van goed en fout, wat deze roman in de Angelsaksische wereld zo populair – maar in mijn ogen soms juist zo moeilijk te verteren maakt. De goede dominee tegenover de meeloper, de slechte dokter moet altijd tegenover een goede gesteld worden: het is me soms iets te schematisch. Op momenten dat Fallada een idylle schetst, wordt de roman ondraaglijk mierzoet, en moet ik bijna denken aan de procedés van de Bouquetreeks. Het is een valkuil van dit soort moralisme. Gelukkig zijn daar ook de genuanceerde personen in de roman: commissaris Escherich die het kleine verzet van de hoofdpersonen onderzoekt als vakman – omdat dat nu eenmaal zijn functie is; maar intussen neerkijkt op, allengs een bloedhekel krijgt aan, maar uiteindelijk moet sidderen voor die beesten van mannen van de SS en de SA. Hij doet wat hij moet doen, op de manier waarop hij dat geleerd heeft – voor wat voor soort overheid, dat vraagt hij zich niet af; en vuile handen maakt hij ook. En dan de hoofdpersonen: Otto en Anna Qualm, heel gewone mensen die eerst gewoon doen wat van hen gevraagd wordt, meelopen in het partijapparaat van de nazi’s – tot hun zoon sneuvelt; dan breekt er iets bij hen, en ‘Einzelgängers’ als ze altijd al waren, hun eigen kleine, nutteloze, maar levensgevaarlijke verzet gaan plegen: ze schrijven onbeholpen correspondentiekaarten met verzetsteksten en leggen die zo onopvallend mogelijk neer op drukke plekken. Deze twee oude mensen die zich nooit met politiek bemoeid hadden – maar die politiek doordrenkt nu op een onverdraaglijke manier hun leven, èn hun sterven.

Dat maakt deze vertelling heel duidelijk: hoe de nazi’s een klimaat geschapen hebben, waarin het drek van de natie verraderlijk komt bovendrijven: ogenschijnlijk worden de gewone regels nageleefd, juridische procedures gevolgd, maar die procedures zijn van binnenuit vermolmd en corrupt doordat ze uitgevoerd worden door regelrecht gajes – zoals de president van het Volksgerechtshof, die naar ik aanneem naar een bestaande persoon gemodelleerd is. Want dat is de kracht van deze vertelling: Fallada heeft deze roman gebaseerd op een bestaand dossier – van de familie Hampel die tijdens de tweede wereldoorlog wegens hoogverraad ter dood veroordeeld zijn. Alle juristen zouden deze roman als verplichte kost moeten lezen; wie ‘regels zijn regels’ in de mond neemt, al helemaal…

En dan die schemerzone, van kleine profiteurs en crimineeltjes, ingehuurd door het misdadig regime om anderen te verklikken. Fallada beschrijft eigenlijk maar één flat in de stad Berlijn, een microkosmos die staat voor de gehele samenleving toen: hoe een paar van die parasieten mensen achterdochtig doen loeren naar elkaar, hoe anderen de andere kant opkijken om maar niet in de picture te komen; hoe er slechts één rechtvaardige nodig is om een verschil te maken (hoe banaal is soms het goede); maar ook hoe domme heldenmoed van de één anderen in levensgevaar kan brengen – die schemerzone beschreven – voor mij wel degelijk zeer de moeite waard om te lezen, om je te realiseren dat dit alles niet voorbij is… Dat chaos, angst en terreur zwaarden zijn die mensen uiteendrijven zodat ieder inderdaad voor zichzelf leeft en sterft – en maar een enkeling tot ridder van de eenzame moed slaan. Dat beschreven – en dan vraag ik me niet af of dit grote literatuur is. Het moet gewoon verteld zijn. En het is goed verteld.

Wat mij verwonderde: Fallada heeft zelf een op zijn minst rommelig te noemen leven geleid – in de gevangenis gezeten, verslaafd geweest aan morfine en alcohol, diverse keren in instellingen opgenomen geweest, tijdens de oorlog gewoon broodschrijver geweest om zijn hoofd boven water te houden. Niet bepaald het type van een held. Maar dan toch deze inzicht gevende analyse van de verdorven Duitse samenleving tijdens het nazi-regime, op een moment vlak na de oorlog dat menige Duitser in schaamte maar liever zijn mond hield… Het is het laatste boek dat Fallada geschreven heeft – enkele maanden na inlevering van het script overleed hij aan een overdosis. Over dit leven van Fallada kom ik nog wel eens te spreken, in een ongetwijfeld komend blog over ‘De Drinker’ – het eerste boek dat ik ooit van hem gelezen heb in de jaren zeventig en dat op mij een onuitwisbare indruk gemaakt heeft.

‘Jeder stirbt für sich allein’ – ik kom nu op deze in de Nederlandse editie vakkundig afgezwakte en weggepoetste titel terug. Hij deed me direct denken aan de geloofsbelijdenis die wij in onze kerk zingen als we een overledene herdenken: ‘Niemand leeft voor zichzelf, niemand sterft voor zichzelf – wij leven en sterven voor God onze Heer, aan Hem behoren wij toe’. Dat lied is mij een ontroering, en een koppig geloof tegen beter ‘weten’ in. Menigeen kan dat niet meer beamen, ik weet het. Voor mij ligt in dit lied het ultieme humanisme besloten, de reden waarom wij elkaar moeten vasthouden. Voor veel mensen heeft elke religie afgedaan – wat wel een voorstelbare – maar ook te gemakkelijke – gevolgtrekking is uit alles wat er uit naam van christendom of islam aan kwaad is geschied. Maar dat humanisme, die ‘Anständigkeit’ waarop dan ook gefundeerd –  Fallada heeft laten zien waartoe het leidt, als deze bodem onder ons leven wegvalt. Dan leeft en sterft ieder voor zich, is de één de ander een wolf.

3 reacties

For security, use of Google's reCAPTCHA service is required which is subject to the Google Privacy Policy and Terms of Use.

I agree to these terms.

  • Beste Reinder, ik heb enige tijd geleden het boek alleen in Berlijn gelezen en was er erg van onder de indruk. Hoe gewone mensen tot een verzetsdaad komen. Nutteloos, dat kun je menen. Tegelijkertijd kan het een beginnetje zijn geweest waardoor meer mensen aan het denken werden gezet.
    De beschrijving van hun lijden in de gevangenis, hun eenzame dood, de volkomen rechteloze ‘rechtsgang’: ten hemel schreiend.

    • Beste Ingrid,
      Heel terecht dat je nog wijst op wat in mijn leeservaring wat ondergesneeuwd is geraakt: dat lijden in de gevangenis, de rechteloze ‘rechtsgang’: die hebben mij ook zeer aangegrepen… Ik baseer die term ‘nutteloos’ verzet eigenlijk vooral op het feit dat het merendeel van hun kaarten rechtstreeks bij de Gestapo ingeleverd is, en dat het ook voor anderen levensgevaarlijk was om zo’n kaart überhaupt te vinden… Op hen richtte het onderzoek door de Gestapo dan vervolgens ook zijn pijlen. Niettemin is ondanks dat, hun houding natuurlijk van heel andere orde geweest dan die van alle profiteurs en meelopers. Daar wil ik niks aan afdoen. Dank voor jouw terechte aanvulling!

  • Beste Reinder,
    Het duurde even voordat “Alleen in Berlijn” in de Esborg kwam. De bezuiniging op de bibliotheken, die net als alle andere bezuinigingen ongemotiveerd en hersenloos zijn doorgevoerd, doen toch ook aan de grote filosoof Cruyf denken. (Voor de jongeren onder ons: Ieder nadeel heb ze voordeel) Gezellig een boek uitzoeken in de bieb is er niet meer bij, maar als jij of een andere recensent, waar we wel eens wat van meepikken, een goede tip hebt, dan vragen we dat boek aan en na één/twee maanden ligt het voor ons klaar in het dorpshuis.
    Zo ook “Alleen in Berlijn”. Het boek roept van alles bij mij op. Als dit “de beste roman is die ooit over het Duitse verzet is geschreven” (Perino Levi op de kaft) dan hoop ik dat er nog wat meer geschreven zal worden over het Duitse verzet. Dit boek “de beste” noemen doet de nagedachtenis aan heel wat “goede” Duitsers tekort. Het beschreven verzet op zich, stelt niet zo veel voor, maar de paniekreactie van het “systeem” is grotesk beschreven. Beschrijft Hans Fallada hiermee niet de ingebouwde zwakte van een systeem dat gebaseerd is op ideeën in plaats van op mensen en hun feitelijke gevoelens en wensen. Ideeën ontlenen hun ontstaan en voortbestaan aan andere ideeën, lemen voeten zonder basis in de realiteit. Helaas geldt dat voor ieder geloof, waarbij humanisme, neoliberalisme, socialisme en moraal voor mij ook onder de geloven thuis horen.
    Als ik bij mijzelf te rade ga, wat ik vind en denk wordt dat toch uiteindelijk bepaald door wat ik ooit heb waargenomen, gehoord, gelezen, gezien, enz. Met het stijgen der jaren vormen zich steeds meer vragen tussen die gedachten. Dat geldt in zijn algemeenheid, maar nu even met betrekking tot “Alleen in Berlijn”. Tijdens het lezen vooral met betrekking tot de wandaden van de Parteigenossen. Hoe komt het dat ik van mijn 8ste t/m mijn 13de (40-45) een heel andere indruk heb gekregen van Duitse militairen (incl. Gestapo, Grüne Polizei en SS)? Ik weet, er werden gijzelaars doodgeschoten, helden zowel als willekeurige burgers. Dat was afschuwelijk om te horen en nog afschuwelijker als ik toevallig net langs kwam nadat het gebeurd was en de lijken werden opgeruimd. Mensen om mij heen stonden te schelden en te huilen. Heel erg, maar wel oorlog. Ook iedere nacht bommenwerpers die moord en verderf onder burgers in Duitsland zaaiden, ook heel erg, ook oorlog. Maar wandaden, uitsluitend of vooral begaan om het eigen sadisme te bevredigen, heb ik van Duitsers niet meegemaakt. Integendeel, als ik eten had gehaald, alleen of met mijn vader, werden wij gecontroleerd onderweg en vooral bij de ponten over het IJ of over de Amstel bij de gasfabriek. Ze controleerden op wapens, op folders of brieven, maar nooit werd het eten ons afgenomen of werden wij onheus behandeld.
    Wandaden waren er te over. Ja hoor, door W.A.ers en Landwachters, Nederlanders, die de oorlog gebruikten om zich uit te leven. De melk, die ik één keer per week kreeg van een lieve boerin aan de overkant van de Amstel werd uit mijn tas gehaald en ter plekken opgedronken. Toen ze genoeg hadden werd de rest over de straat gegoten. Bij een razzia op joden werd ons huis door dit tuig onderzocht. Ze maakten er alleen maar een klerezooi van. Wat ze deden had zelfs niets met zoeken te maken. Misschien had mijn moeder het uitgelokt. Toen een la van het dressoir werd omgekeerd op de grond, zei ze: “Tjonge zitten er geen joden in?” Zo kan ik nog een hele tijd doorgaan, maar ik heb geen zin in nog akeliger verhalen.
    Onze landgenoten gedroegen zich zoals Hans Fallada de Duitsers in Duitsland beschreef. Zou daar een verklaring voor zijn? Zou er een bepaalde logica in schuilen? Wie het weet mag het zeggen.