Bij het heengaan van een vriend

Enkele weken terug overleed een merkwaardig soort vriend van mij. Ik zou hem niet direct een vriend genoemd hebben. Eerder een goede kennis, een (oud)collega, nou ja, wel meer dan dat. Hoeveel meer – daar kwam ik pas achter toen ik in de laatste fase van zijn leven bij allerlei praktische zaken betrokken werd. Hij had mij altijd tot zijn vriendenkring gerekend, en ik, ik vond dat soms wat hinderlijk, malloot die ik daar ben. Voordat hij ziek werd, beperkte ik onze contacten tot 3 à 4 maal per jaar. Ik kan niet heel veel vriendschap en vriendschappen aan. Prikkelarme omgeving, dat is wat de ene tak van de psychologie mij aanraadt; uitdagende contacten de andere. Daartussen ergens zwalk ik, en ik voel mij vaak geplet tussen die beide adviezen.

Voor allerlei praktische, administratieve en financiële zaken had hij mij gevraagd – om zijn vrouw, Filipijnse van origine en heel wat sterker en handelingsbekwamer dan hijzelf ooit gedacht had, in deze moeilijke dagen bij te staan. Wie mij maar enigszins kent weet dat ik een broertje dood heb aan administratie, aan formulieren en aan contacten met overheden. Nee, geef mijn portie maar aan fikkie. Maar mijn fikkie lag, om zo te zeggen, dood op het kerkhof, en dus moest ik wel. Zocht ik behoedzaam adressen uit waar een kaart van zijn overlijden heen moest. Zocht een vrijwaringsbewijs in zijn administratie om een autoverzekering op te zeggen. Waar was mijn vrijwaringsbewijs, om aan te geven dat ik handelingsonbekwaam was?

Maar meer nog dan dat, was ik samen met een andere vriend van hem verantwoordelijk voor de zaken rond zijn crematie, en de herdenking die daaraan vooraf ging. Daar kwam ik op een barre vlakte terecht. Mijn vriend was een uitgesproken humanist geweest, fel atheïst ook, en ik – ik ken in dat soort situaties eigenlijk alleen de woorden van de Schrift, of muziek, of literatuur… Ik had met hem menig heftig maar plezierig gesprek gevoerd over het feit dat ik nog wel eens ter kerke ging – in zijn ogen een absurditeit, niet overeenkomend met de rationaliteit die hij mij verder toedichtte. Hij was niet van de literatuur of van de muziek – om van de Schrift nog maar te zwijgen. En ook niet van de plechtstatigheid van toespraken en ‘gedoe’ – wat daar van hem overbleef, was afval. Dat moest opgeruimd. Maar we konden hem toch niet zomaar overleveren aan de vlammen, hem geluidloos, woordeloos en eerloos aan de eeuwigheid overgeven; waar was mijn vrijwaringsbewijs, om aan te geven dat ik dit niet aan kon?

Zijn broer, zijn vriend en ik hebben toch wat korte woorden gesproken, om hem als broer, als vriend en als humanist-in-gesprek-met-mij-als-gelovige te eren. Hoe hij altijd zelf kookte, als wij op bezoek kwamen; hij kon twee gerechten bereiden, chili con carne of boerenkool – daaruit konden we kiezen, maar in de zomer, zoals hij altijd zei, was de keuze wat beperkt. Daartussen lieten we muziek horen, Lachrimae van John Dowland, Andante van het Concerto voor 2 mandolini in G van Antonio Vivaldi en Gnossienes no. 1 van Eric Satie – muziek die niet verontrustend was, die rust bracht.

En op het laatst, toen de kist met een kleine groep getrouwen (waaronder ik kennelijk gerekend werd – wat is vriendschap soms een niet zelfverkozen staat -) naar het crematorium gebracht was, een gedicht.

Ik had het gevonden, wanhopig surfend over het internet, op één van die larmoyante sites met rouw-, trouw- en andere levensgebeurtenisgedichten. En ondanks de barre verwoording, had het me getroffen als iets dat bij hem paste – zoals hij zijn vrouw gevraagd had om dóór te leven. Die barre verwoording, dat was iets – iets slecht vertaald misschien? Er stond geen auteur bij (auteur: anoniem). Ik besloot de eerste regel naar vermogen in het Engels te vertalen, ik zocht die woorden opnieuw in Google – en ja, ik had beet.

Het gedicht bleek van ene David Harkins te zijn. Dat op diverse sites gesuggereerd wordt dat we geen auteur kennen, hebben we aan koningin Elisabeth II van Engeland te danken. Zij had het gedicht gebruikt bij de begrafenis van haar moeder, niet wetende waar het vandaan kwam. David Harkins was in zijn werkzame leven arbeider geweest bij een broodfabriek; mijn vriend zou deze afkomst uit arbeiderskring zeer gewaardeerd hebben. Hij had het niet geschreven met de dood van een geliefde voor ogen – eerder met het oog op een geliefde die zijn liefde niet beantwoord had. Maar hé, een onbereikbare geliefde of een dode – wat is het verschil? Je kunt hier het verhaal van David Harkins lezen. Het oorspronkelijk gedicht:

Remember Me

Do not shed tears when I have gone but smile instead because I have lived.
Do not shut your eyes and pray to God that I’ll come back but open your eyes and see all that I have left behind.
I know your heart will be empty because you cannot see me but still I want you to be full of the love we shared.
You can turn your back on tomorrow and live only for yesterday or you can be happy for tomorrow because of what happened between us yesterday.
You can remember me and grieve that I have gone or you can cherish my memory and let it live on.
You can cry and lose yourself, become distraught and turn your back on the world or you can do what I want – smile, wipe away the tears, learn to love again and go on.

Onmogelijk romantisch  – hij was geen groot dichter, schreef hij zelf al: “I was never a good writer, and my poetry wasn’t very good either. I know that,” he says. “I’m not bitter at all. I just wanted to put the record straight.”  Hij wilde graag genoteerd hebben, dat hij die woorden geschreven had. Maar mensen hebben de woorden stilaan veranderd, de ‘I’ in het gedicht veranderde in de ‘she’ bij Elisabeth, en bij mij in ‘he’. Hier het gedicht zoals ik dat bij de kist voorgedragen heb:

You can shed tears that he is gone,
or you can smile because he has lived.
You can close your eyes and pray that he’ll come back,
or you can open your eyes and see all he’s left.

Your heart can be empty because you can’t see him,
or you can be full of the love you shared.
You can turn your back on tomorrow and live yesterday,
or you can be happy for tomorrow because of yesterday.

You can remember him only that he is gone,
or you can cherish his memory and let it live on.
You can cry and close your mind,
be empty and turn your back.

Or you can do what he’d want:
smile, open your eyes, love and go on.

Het is een ander gedicht geworden; het is daarna in ernstig tekortkomende vertalingen ook in Nederland bij dit soort gelegenheden voorgelezen. Het is vast geen grote poëzie – ik waag me in elk geval niet aan een grondige analyse. Maar de opwaartse beweging in het gedicht, de aanmoediging aan de geliefde om het leven weer te omarmen… Hoeveel te vroeg ook gezegd, en hoe droef en daardoor wellicht doof de oren. Het biedt troost. Het biedt ook geen valse troost: het laat mensen moed putten uit de levensinstelling van de overledene – mijn vriend bracht een allerlaatste, optimistische groet uit op zijn rouwkaart. Ik kan zijn stem nog horen. Hoezeer ik me tijdens zijn leven soms doof gehouden heb…