Autobiografieproject van een doorsnee mens

A

Karl Ove Knausgård heeft een zesdelige serie boeken geschreven over zijn eigen leven. In dit autobiografieproject kijkt hij vanuit verschillende invalshoeken terug, in dit eerste deel als zoon vàn. Ambitie kan hem niet ontzegd worden, en naar ik heb begrepen, is die ambitie niet onbeloond gebleven: de boeken verkopen goed, zowel in Noorwegen als ook hier. Een hype is een groot woord, maar trending: zeker.

Waarom zou een mens zich, in gemoede, ertoe zetten een autobiografie te schrijven? Ik zie een paar redenen, meer of minder nobel. Als je al erg bekend bent, is het mogelijk dat je zoiets om het geld doet: menig Amerikaans oud-president moet zijn kas weer aanvullen na zijn ambtsperiode. Het heet dan dat hij zijn memoires schrijft – letterlijk: dat wat hij memorabel acht. Staat zoiets garant voor eerlijkheid? Het antwoord laat zich raden: een politicus zal altijd een gunstig licht op zichzelf proberen te werpen, zal altijd de keuzes verdedigen die hij in de politiek heeft moeten maken – en misschien, waar dat echt niet anders kan, een stommiteit zó uitleggen dat mensen het alleen al dapper vinden dat hij zijn fout toegeeft. Bovendien kun je zaken die al te privé zijn, zorgvuldig uit het zicht houden – juist door de honden een botje van je privacy toe te gooien.

Dit soort autobiografieën kunnen interessant zijn. Wie wil niet meekijken in de keuken van de groten der aarde, zien hoe onze gerechten bereid worden? Of althans die illusie hebben? Zo zou ik graag nog eens de memoires van Ben Bot willen lezen. Een boeiende man die het als minister van buitenlandse zaken heel goed gedaan heeft, en die elke dag aantekeningen maakte over de vorige dag – je kunt je ergere kost voorstellen. Ik neem overigens niet aan dat hij omwille van de pecunia zijn herinneringen opgeschreven heeft. Want laten we wel wezen: oud-politici kunnen hun herinneringen ook boekstaven als een soort verantwoording, een terugblik op de keuzes die ze gemaakt, de politiek die ze bedreven hebben. Hun visie op landen en op invloedrijke personen kunnen boeiende vergezichten opleveren.

Met dit alles heb ik het nog niet eens over de literaire kant gehad. De ene schrijver zal een betere pen voeren dan de andere, en het hoeft helemaal niet zo te zijn dat een boeiend persoon per definitie beter schrijft. Wel durf ik de stelling aan, dat verder van de zon der roem verwijderd, de planeten groter en ijler worden en de literaire pretenties toenemen. Waarom zou je, als ‘doorsnee’-mens, anders je dagboeken het daglicht laten zien, je autobiografie schrijven en publiceren?

Nu is er in de moderne tijd eigenlijk direct al een probleem met de definitie van de term ‘doorsnee’. Na de roemruchte jaren zestig – het adagio was: ‘ooit een normaal mens gezien? En – beviel het?’ – was opeens iedereen unieker dan uniek, en ik het uniekst van al. Niks staan in een traditie, niks voortzetten van een verleden – het was afzetten tegen, en god zijn in het diepst van je gedachten. Dat bracht voordelen – opeens was de grootste sul in zijn verstandsverduistering zijn eigen helder licht – maar het maakte de mens ook eenzaam. Van toen af aan (en dat was geen ‘opeens’ maar een geleidelijk door onszelf ingezet proces) was je zelf verantwoordelijk voor je eigen keuzes, had jij je te verhouden tot de wereld en tot je verleden. Vanzelfsprekendheid was er niet meer bij, en als je mislukte: niks geen pech gehad, niks geen onzalig lot, maar eigen schuld, dikke bult.

Ik kan nog wel een boom opzetten over al die zogenaamde eigen keuzes die je in de moderne wereld hebt, van je telefoonabonnement tot aan je energieleverancier, van je zorgverzekering tot aan je eigen levensovertuiging of geloof – ja zelfs je geloof maak je helemaal zelf, je kiest uit de jou ter beschikking staande modules die meningen die jou op dat moment van pas komen. Het lijkt FBTO wel: zet de opties uit die je op dat moment niet nodig hebt. Ikzelf ben daar niet van uitgezonderd, ook ik ben geïnfecteerd met deze individualiteitsbacterie. Gedane zaken nemen geen keer, en ik sta als met een bebloed mes na een moord, verdwaasd te kijken naar de ravage die ik heb aangericht, de schade die is aangebracht, het leed dat is berokkend…  Word ik nu oud, dat ik dit zo zeg? Ik verlang soms zo terug naar overzichtelijkheid, naar het ziekenfonds, naar de zekerheden van het geloof, naar een overtuiging met gezag. Maar daar word ik niet meer gelukkig van. De moord is al gepleegd. Ik kan niet meer terug…

En zie, dat is gelijk het probleem bij zo’n autobiografieproject: hoe bijzonder is het leven van die Klaus Ove nu eigenlijk? Is het de moeite van zes delen waard? Eerlijk gezegd heb ik me dat, pakweg de eerste 200 bladzijden lang, wel hevig afgevraagd. Ik wilde het boek eigenlijk al terzijde leggen – hoe uniek zijn leven ook is  – omdat ikzelf ook zo’n uniek leven leid en geleid heb, exemplarisch, hoe tegenstrijdig ook, voor menigeen van na de Tweede Wereldoorlog. Ik moest waden door een zee van zeer precies omschreven onbenulligheden: ik weet nu hoe hij zijn bloemkool kookt. Ik moest er toch niet aan denken dat hij die bloemkool in deel 3 precies hetzelfde kookt of in deel 6… anders.

Ik ben blij dat ik toch doorgelezen heb (niet in het minst door de cadans en het ritme van zijn stijl), want pas in het laatste stuk van zijn boek weten we waar dit allemaal goed voor was. Daarin beschrijft hij de deconfiture van zijn vader, met wie hij in het laatste deel van diens leven weinig tot geen contact meer had. De man die gedurende zijn jeugd zo’n stempel op de sfeer in huis gedrukt had, voor wie je beducht moest zijn hoe jouw gedrag bij hem viel, die je naar de koude ogen moest kijken – die man heeft zich, op vrij jonge leeftijd nog, dood gezopen. Hij is bij zijn moeder, Klaus Ove’s oma ingetrokken, die tegen die drankzucht op haar leeftijd geen ander verweer meer had dan erin mee te gaan. In dit deel van het boek keert hij vlak na het overlijden van zijn vader terug naar dat huis van zijn oma, waar alles kapotgemaakt en vervuild is. Samen met zijn broer begint hij dat stinkende, ondergekotste junkiehol schoon te maken, op te ruimen, gadegeslagen door zijn oma, die eigenlijk graag aan de borrel zou willen. Elke centimeter van de plakkerige trapleuning die hij boent, wordt bij wijze van spreken, beschreven; niet één onsmakelijk detail wordt ons bespaard.

Willen we dat allemaal wel weten? Ik moet zeggen, omdat ik vanuit mijn jeugd van nabij vertrouwd ben met het verschijnsel alcoholisme, was het voor mij zeer confronterend. Maar de vlijmscherpe beschrijving van deze hele situatie, met een niets- en niemand ontziende analyse van alle gevoelens die daarbij horen; ook hoe zijn broer en hij verschillend omgaan met deze chaos, en hoe ze in al hun verschillen echte broers van elkaar zijn – ik kon me daarmee zeer vereenzelvigen. Af en toe schiet dat al te heftige door in een tegen sentiment aanhangende, valse pathetiek (van mij mogen alle zinnen in het boek die met de uitroep O beginnen: “O, die schrale lucht aan het begin van de lente”, geschrapt worden).

Ook zichzelf spaart hij niet in zijn onbarmhartige eerlijkheid. Dat heeft mij doen besluiten dat ik tot nader order doorlees in dit project. Hij beschrijft bijvoorbeeld dat hij allerlei modernistische literatuur niet zozeer leest, maar hapsnap dan hier, dan daar een paar bladzijden doorleest. De volgende passage, heel raak, verklaar ik hierbij ook op mijzelf van toepassing:

Ik las [al die gedichten] als proza, als een boek van MacLean, zonder iets te leren, zonder iets te begrijpen, maar alleen al het feit dat ik ermee in contact kwam, dat ik deze boeken in de boekenkast had staan, leidde tot een bewustzijnsverruiming, alleen al het feit dat ik wist dat ze bestonden, betekende een verrijking en ook al schonken ze me niet meer inzicht, ze schonken me des te meer vermoedens en gevoelens. Dat was natuurlijk niet iets om tijdens een examen of in een discussie mee voor de dag te komen, maar dat was ook niet waar ik, de koning van het daaromtrent, op uit was. Ik was uit op verrijking en wat me verrijkte als ik bijvoorbeeld Adorno las, was niet wat ik las, maar de voorstelling die ik van mezelf kreeg als ik hem las. Ik was iemand die Adorno las!

‘Koning van het daaromtrent’ – als zelf gewaande ‘uomo universale’, renaissancistische generalist, dit over jezelf zeggen; alleen al om die ene passage op het scherp van de snede neem ik de baaierd van al te gewone observaties en O,die uitroepen voor lief.

1 reactie

For security, use of Google's reCAPTCHA service is required which is subject to the Google Privacy Policy and Terms of Use.

I agree to these terms.

  • Inderdaad: waarheen, waarvoor en vooral: waarom toch dit epistel van KARL Ove KNausgard?

    Ik krijg door deze recensie toch de indruk dat het hier een tamelijk zelf geobsedeerd heerschap betreft, die – zoals zo vaak bij dit genre – niet gespeend is van een flinke dosis ijdeltuiterij. Het tot in den treure allerlei alledaagse aspecten op papier zetten doet mij denken aan die types die tegenwoordig al hun totaal oninteressante onbenulligheden ‘rondtwitteren’ (1 van de nare plagen van deze tijd). Zo`n roman zou mij dus beslist niet kunnen boeien, laat staan zes delen ervan (help!), maar ieder z`n smaak natuurlijk. Bovendien “bid ik niet voor bloemkool” (bah).

    Overigens ben ik zeker geen tegenstander van “autobio’s” hoor. Ik heb er zelf een paar in de kast staan. Veruit mijn favoriet is: Wouldn`t it be nice: my own story van Brian Wilson (1991). Een van begin tot eind meeslepend, soms aangrijpend, dan weer hilarisch, maar vooral zeer openhartig werk over het woelige leven van een grote enigszins mentaal gemarkeerde popster tijdens en na de sixties. Voor de jongeren onder de lezers: Wilson was en is het legendarische genie van de Beach Boys, wiens meesterwerk Pet Sounds nog altijd hoog scoort in allerhande Top Albums aller Tijden lijstjes. Moeilijk te verkrijgen nu wellicht, maar onze gewaardeerde bieb (Groninger Forum) heeft nog 1 exemplaar in collectie. Van harte aanbevolen!
    Brian Wilson