Alleman

A

Vlak naast de prachtig aangelegde begraafplaats De Stille Hof in Hoogezand bevindt zich, bijna verscholen, nog een oudere begraafplaats, in eigendom van de Stichting Bijzondere Begraafplaatsen Hoogezand-Sappemeer . Die licht verwaarloosde begraafplaats met zijn eeuwenoude, groen-wit bemoste stenen, verweerd en uitgesleten, waar families uit de streek een plek gevonden hebben, herinnert je beter dan dat schitterend park ernaast wat de weg is van alle vlees; de wetenschap dat daar ook de lokale galg gestaan heeft, draagt misschien nog wel bij aan dat memento mori.

De gedachte aan het sterven, de angst daarvoor – daarom draait het in Alleman, een korte roman van de onlangs overleden Amerikaanse schrijver Philip Roth. Lichamelijk verval, ouderdom, falen, mislukken, spijt… Aftakeling, ziekte… Dood.

Waarlijk geen vrolijke vakantielectuur, geen niemendalletje voor bij het zwembad. Zomaar een citaat: ‘ouder worden is geen strijd – het is een slachting.’ Ga d’r maar aan staan, als ouderdom je voorland is.

‘Alleman’ was de naam van de horloge- en diamantzaak die de vader van de hoofdpersoon dreef; hij verkocht er horloges, bij uitstek het symbool van de tijdelijkheid, en diamanten – ‘als je je vrouw een diamant geeft, is dat een teken van de onvergankelijkheid van je liefde’. Mooi is het beeld dat Roth schetst van die vooroorlogse Joodse handel, de vader die in Jiddisch overgaat als de leverancier op bezoek komt, de jongens die met diamanten op hun lichaam gebonden naar klanten gestuurd worden.

Maar ‘Everyman’ is ook de titel van een middeleeuwse moraliteit, een allegorisch toneelspel, dat wij kennen als ‘Elckerlijc’. In dit middeleeuwse toneelspel, voluit: Den Spyeghel der Salicheyt van Elckerlijc – Hoe dat elckerlijc mensche wert ghedaecht Gode rekeninghe te doen, gaat het om de mens die door de Dood gehaald wordt om voor God verantwoording af te leggen; om de mens – dus iedereen. Eerst soebat hij om uitstel, probeert de Dood om te kopen, maar de Dood is onverbiddelijk. De mens mag alleen op zoek naar iemand die hem op zijn lange reis zal vergezellen. Hij klopt aan bij ‘gezelschap’, bij ‘vrienden’, bij ‘familie’ die hem beloven bij te staan, maar als ze horen wat de eindbestemming is, toch maar even niet. Uiteindelijk blijft alleen de ‘Deught’ over die met hem meegaat, en die hem overhaalt te biechten. Na zo de genade van de Kerk verkregen te hebben kan Elckerlijc recht voor God verschijnen.

Die dood is ook in Alleman een regelmatige gast. Komt hij me nu al halen – nee, nog niet, ik heb de dood in de ogen gekeken maar ik herstel toch weer. Naarmate Alleman ouder wordt, lichamelijke ongemakken zich aandienen en er elk jaar wel een ernstige operatie moet gebeuren, nemen angst en onrust toe en blikt Alleman op zijn mislukte leven terug.
Is er in deze roman ook een ‘spiegel der zaligheid’? Ja, maar anders dan in het Middeleeuwse toneelspel. De laatste operatie die Alleman moet ondergaan ziet hij met gerust hart tegemoet. De vorige, soortgelijke operatie was ook goed gegaan, dus hij waarschuwt niemand als hij weer onder het mes moet. Ironisch dat de dood hem net dan komt halen. Om Everyman te citeren: “O Death, thou comest when I had thee least in mind”. Je zou dat een ‘kleine genade’ kunnen noemen: het horloge staat ongemerkt stil, de eeuwigheid is stilletjes begonnen.

Dit stuk is eerder gepubliceerd in Kerk in Stad, het orgaan van de Protestantse kerk in Groningen, in jaargang 19, nummer 13

Uw reactie

For security, use of Google's reCAPTCHA service is required which is subject to the Google Privacy Policy and Terms of Use.

I agree to these terms.