‘Noem het slaap’ van Henry Roth

Noem het slaap

Eens, toen ik nog een kleine jongen was, hoe klein weet ik niet meer, lag ik in de voorkamer van ons huis, vóór de kolenkachel, door de mica ruitjes te turen naar de lichtende gangen tussen de kolen, naar de dovende en opgloeiende paden die daar uitdijend en inkrimpend gevormd werden. Er liepen allerlei gedrochten over de paden, en even later liep ikzelf, oplichtend en verduisterend, daar te midden van. Dat voelde heel bizar, en ik wist niet of ik bewoog of dat het pad bewoog; ik kon wel koortsig geweest zijn. Maar aan de andere kant was het angstaanjagend mooi – ik kleine, bange jongen, in de vertrouwdheid van de huiselijke warmte. Verder lezen

What the heck…!

De hek(ke(n))sluiters zijn eigenlijk de twee laatste “dragers” in een lijkstoet, lees ik in het WNT (Woordenboek der Nederlandse Taal).
Nee(n), deze column gaat niet over die zeer omstreden tussen-N in woorden als panneNkoek en dergelijke, een gruweNlijk verveleNde taalregel die op de meest onverwachte en idiote momenten ergens een N tussenwerpt. Ik ben redelijk gezagsgetrouw, behalve als het mij niet uitkomt, dus die tussen-N kan mij gestolen worden. Een stukjen (wie zei dat ook alweer: Swiebertje?) daarover trouwens ook.

Nee, deze column gaat over de tegenhanger van de hekkesluiter – over de Hekopener.
Verder lezen